Niks kan ons beschermen tegen het lelijkste

Niks kan ons beschermen tegen het lelijkste

Ik zie haar nog zitten. Het grijs-rode plooirokje netjes op de knietjes. Witte wollen sokken. Wiebelende voeten. Aan de schoenen kon je zien dat ze dagelijks gedragen werden. Beige ‘Kickers’ met een blauwe neus en een gaatje aan de rechtse grote teen. Dat wist ze wel. Maar het waren haar lievelingsschoenen.

Ze keek naar het gaatje. Ze was bang om naar boven te kijken. Liever zag ze zijn rode gezicht niet, zijn smalende mond. Ze voelde hoe  zijn dikke vingers over haar arm bewogen en aan haar hand trokken. Die wou hij meenemen. Naar een plek waar zij zeker niet wou zijn.

Dan fietste ze weer naar huis. Opgelucht. Snel. Paadjes op en af. Haar vlechtjes dansten. Ze was zelfs een beetje blij. Omdat ze jong was, en nog zo veel te leven had. Niet oud, lelijk en  eenzaam, zoals hij.

Ze weet het nog steeds. Ik weet het nog.

Maar nooit was ik zo bang, als die ene middag, jaren later.

Ik was alleen thuis. Er werd aangebeld.  Op de trappen stond een man van tegen de zestig. Hij droeg een plastic zak, met iets dat leek op een stapel papier. De zak leek zwaar. Hij vroeg of hij binnen mocht komen, hij wou me een dossier voorstellen. Over iets dat belangrijk was, voor een politica als ik. Hij was al bij collega’s parlementsleden van verschillende partijen langs geweest, maar die konden hem niet helpen. Ik wel, daar was hij zeker van. Hij vertrouwde me.

“Ik vertrouw je.”  Was het dat zinnetje, dat me er toe aanzette om hem binnen te laten?  Wou ik hem graag helpen? Ik wees naar de deur van de bibliotheek. Hij rechtte zijn rug en schoof tussen de tafel en de deur. Niks vermoedend ging ik achter de tafel staan. Het pak papier dat hij uit de zak haalde, was indrukwekkend. Niet zozeer omwille van het volume. Het moeten honderden bladzijden geweest zijn. Maar vooral, omdat ze zò waren vol gepend, dat het wit van het papier zelf nog nauwelijks zichtbaar was. Het geschrift was slordig, kriskras, hanenpoten. Her en der waren stukken doorstreept, er stonden pijlen en verwijzingen. Zinnen liepen zowel horizontaal als verticaal over de A4-tjes. De vellen papier zie ik nog voor me. Maar ik kan me in de verste-verte niet herinneren waar de tekst over ging. Wat het was, waarmee ik hem kon helpen. Waarom  die anderen niet naar hem hadden geluisterd. Waarom hij mij wel vertrouwde. Hij duwde de stapel onder mijn neus. Dan haalde hij uit dezelfde tas twee grote Engelse sleutels.

Eén was gigantisch; minstens veertig centimeter lang, de zilverblauwe lak was op verschillende plaatsen verdwenen.  De andere was kleiner en roestig. Hij legde de werktuigen zorgvuldig op de tafel. Hij streelde ze. Ondertussen keek hij me star in de ogen, en sprak hij verder over zijn dossier. Een kilte verspreidde zich van mijn achterhoofd over mijn ganse lichaam. Ik hoorde mijn hart kloppen, mijn keel was kurkdroog. Ik keek terug in zijn staalblauwe ogen: de kleur van de Engelse sleutel. Angst smaakt naar staal. Ik scande mijn mogelijkheden. De deur achter mij was op slot, dat wist ik wel zeker. Om ze te openen zou ik me moeten omdraaien, mijn rug naar hem keren. Dat was geen optie. Luisterend, pratend, in een vreemde dans van prooi en roofdier, bewoog ik naar hem toe. Mijn ogen losten de zijne niet, vanuit mijn ooghoeken hield ik zijn handen in de gaten. Wat wellicht maar enkele minuten waren,  leek een eeuwigheid te duren. Toen ik uiteindelijk de gang in glipte en de voordeur opende, wist hij dat het voorbij was. Hij stapelde zijn nota’s nauwkeurig op en schoof ze in de plastic zak. De Engelse sleutels  legde hij er bovenop. Ik hoorde mezelf zeggen: “Ik zal zien wat ik voor je kan doen”. Hij vertrok, zonder om te kijken.

Zweet liep in straaltjes over mijn rug. Mijn benen voelden slap, alsof ik elke moment kon vallen. Mijn maag keerde…

Maar ik was een beetje blij, blij omdat ik nog zoveel te leven had.

Arme Julie. Niks kan ons beschermen tegen het lelijkste.

 

7 mei 2019